Rotterdam-Zuid krijgt er dit najaar een ongewone bezienswaardigheid bij. In de Piekfabriek, een voormalige fabriekshal op het oude Hunter Douglas-terrein, opent op 18 september de twaalfde Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam (IABR). Geen saaie vakbeurs voor professionals, maar een gratis toegankelijke tentoonstelling die tot en met 29 november laat zien hoe steden er over tien, twintig jaar uit kunnen zien. En dat gebeurt op een plek die het verhaal al voor een groot deel zelf vertelt.
Een fabriekshal als proeftuin
Het Hunter Douglas-terrein aan de Piekstraat lag jarenlang grotendeels stil. De komende jaren verandert het gebied van een industrieterrein in een nieuwe stadswijk, met ruimte om te wonen, te werken en elkaar te ontmoeten. Eigenaren Heijmans, Dura Vermeer en ASR onderzoeken samen hoe die transformatie eruit moet zien, en daar sluit de biënnale bewust op aan. In plaats van een neutrale expo-hal ergens in het centrum, kies je nu voor de plek zelf als onderwerp. Wat hier de komende jaren gebeurt, is precies de vraag die de hele tentoonstelling stelt: hoe bouw je een wijk die niet alleen functioneel is, maar ook eerlijk verdeeld en klaar voor de toekomst?
Die aanpak past bij een trend die je op meer plekken in Nederland ziet: bestaande, vaak industriële gebouwen worden niet gesloopt maar herbestemd. Datzelfde principe zie je terug in hoe oude kantoren in Nederland tot woningen worden verbouwd, waar leegstand wordt omgezet in extra woonruimte in plaats van nieuwbouw op een weiland.
De Piekfabriek zelf oogt precies zoals je van een oude productiehal verwacht: hoge stalen spanten, ruwe betonvloeren en daglicht dat via grote industriële ramen naar binnen valt. Voor de tentoonstelling is er bewust weinig aan die ruwe sfeer veranderd. Geen witte kubuszalen met spotjes, maar een hal die zelf al laat zien wat er met een gebouw kan gebeuren als je het niet sloopt maar opnieuw waardeert.
Systemen die kraken
De titel Systems of Support klinkt abstract, maar de gedachte erachter is simpel. Alles wat een stad draaiend houdt, van drinkwater en energie tot bouwmaterialen, woningen en infrastructuur, is een systeem. En veel van die systemen staan onder druk. Hoofdcurator Wouter Veldhuis, architect en stedenbouwkundige en voormalig Rijksadviseur, verwoordt het scherp: de systemen die ons dagelijks leven bepalen zijn steeds minder vanzelfsprekend geworden. Samen met curatoren Carola Hein en Martina Muzi stelt hij de vraag hoe je die systemen niet alleen efficiënter, maar ook rechtvaardiger en veerkrachtiger maakt.
Dat is minder ver van je eigen huis af dan het lijkt. Ook de manier waarop nieuwe woningen worden gebouwd, verandert door precies dezelfde druk op grondstoffen en tempo. Zo lees je in ons artikel over fabriekswoningen die straks een groot deel van de Nederlandse nieuwbouw vormen hoe de bouwsector zelf al op zoek is naar snellere, slimmere manieren om aan de vraag naar woningen te voldoen.
De energietransitie, het woningtekort en de toenemende kans op wateroverlast spelen daarbij allemaal een rol. Geen van die problemen los je op met één slim gebouw. Daarom kijkt de biënnale nadrukkelijk naar het systeem eromheen: wie beheert het water, wie betaalt de energietransitie, en wie bepaalt welke materialen straks nog beschikbaar zijn. Vragen die je normaal in beleidsstukken tegenkomt, worden hier tastbaar gemaakt via echte ontwerpen.
Meer dan vijftig ontwerpen onder één dak
De expositie zelf bestaat uit ruim vijftig ontwerpen, onderzoeksprojecten, installaties, films en ruimtelijke presentaties. Sommige daarvan zijn concreet en uitvoerbaar, andere zijn bewust speculatief en bedoeld om een discussie op gang te brengen. Samen laten ze zien waar de systemen achter water, energie, materialen, wonen en infrastructuur nu vastlopen, en vooral hoe het anders kan. Het is precies het soort verzameling waar je als bezoeker een middag in kunt verdwalen, van een project over hergebruikte bouwmaterialen tot een installatie over wie straks eigenlijk beslist over de inrichting van je buurt.
Die aandacht voor goed ontworpen gebouwen staat niet op zichzelf. Elk jaar strijden Nederlandse projecten om erkenning voor precies dat soort ontwerpkracht, zoals te zien is bij de acht gebouwen die meedingen naar de titel Beste Gebouw van Nederland. De biënnale voegt daar een laag aan toe die verder kijkt dan het individuele gebouw, naar het systeem eromheen.
Geld praat mee
Een van de opvallendste onderdelen van het publieksprogramma heet Money Talks. Daarin onderzoeken ontwerpers samen met financiële experts hoe verdienmodellen, eigendomsvormen en investeringen bepalen wat er wel en niet gebouwd wordt. Het is een onderwerp dat in discussies over architectuur vaak wordt overgeslagen, terwijl het misschien wel de belangrijkste factor is. Een mooi ontwerp strandt zonder financiering, en een verkeerd verdienmodel kan een goed idee alsnog om zeep helpen. Naast Money Talks organiseert IABR gedurende de hele looptijd symposia, rondleidingen en kleinschalige gesprekken, voor zowel vakgenoten als een breed publiek.
Wat een oude fabriek je leert over je eigen huis
Je hoeft geen architect te zijn om iets aan een bezoek te hebben. De grote vragen die op de Piekfabriek worden gesteld, gaan uiteindelijk over dezelfde keuzes die je thuis ook maakt, alleen dan op wijkschaal: hergebruiken of slopen, investeren in kwaliteit of in snelheid, en wie er straks eigenlijk woont in wat je nu bouwt. Voor wie zelf verbouwt of gewoon nieuwsgierig is naar waar de Nederlandse architectuur naartoe beweegt, is dit een van de weinige plekken waar je dat verhaal in één middag helder krijgt. De tentoonstelling is te bezoeken van 18 september tot en met 29 november, met meer praktische informatie over openingstijden en tickets op de website van IABR.