Architectuur

Straks komt de helft van je huis uit een fabriek

· 5 min leestijd

Rijd je over een paar jaar langs een nieuwbouwwijk, dan is de kans groot dat die huizen niet ter plekke zijn opgemetseld, maar ergens in een hal in Montfoort of Eemshaven zijn geproduceerd. Het kabinet wil dat over vier jaar de helft van alle nieuwe woningen in Nederland fabrieksmatig wordt gebouwd. Nu ligt dat aandeel nog iets boven de 20 procent. Een flinke sprong, en een die verandert hoe we straks aan een huis komen.

Wat het kabinet precies wil

Minister Boekholt-O'Sullivan van Volkshuisvesting trekt 287 miljoen euro uit om gemeenten te helpen bij de omslag naar industriële woningbouw. De aanleiding is simpel: een woning staat er nu gemiddeld pas na tien jaar plannen, vergunnen en bouwen. Door de woning in de fabriek voor te bereiden en op de kavel binnen een paar dagen af te monteren, moet daar jaren vanaf. Er komt bovendien geld om vergunningverlening bij provincies en gemeenten te versnellen, en het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt aangepast: is een woningtype eenmaal gecertificeerd, dan hoeft een gemeente niet telkens opnieuw een technische keuring uit te voeren. Daarnaast wil het kabinet 15.000 extra woningen per jaar realiseren door bestaande gebouwen op te toppen, te splitsen of om te bouwen, met 41 miljoen euro aan ondersteuning voor die aanpak. Alles samen moet dit meehelpen aan het doel van 100.000 nieuwe woningen per jaar.

Deze aanpak sluit aan bij een bredere trend richting fabrieksmatig bouwen. Wil je zien hoe architecten daar op een andere manier op inspelen, lees dan ook waarom steeds meer Nederlandse architecten voor hout kiezen, een materiaal dat zich juist goed leent voor voorgefabriceerde bouwelementen.

Zo werkt een huis uit de fabriek

Prefab en modulair bouwen worden vaak door elkaar gebruikt, maar er zit verschil tussen. Bij prefab worden losse onderdelen, zoals wanden, vloeren of dakelementen, in de fabriek gemaakt en op de bouwplaats samengevoegd. Modulair bouwen gaat een stap verder: complete woonmodules, inclusief leidingwerk, isolatie en soms zelfs de keuken, rollen kant en klaar van de productielijn en worden op locatie gestapeld. Een appartementengebouw kan zo binnen enkele weken wind- en waterdicht staan, waar dat traditioneel maanden kost.

Bouwbedrijf Jan Snel laat zien hoe dat er in de praktijk uitziet. Vanuit drie fabrieken, in Eemshaven, Hulst en Montfoort, realiseert het bedrijf jaarlijks zo'n 3.000 woningen voor heel Nederland. Het begon ooit met wisselwoningen voor Groningers die door de aardbevingsschade tijdelijk hun huis uit moesten, en groeide uit tot een van de grotere spelers in fabrieksmatige woningbouw. Omdat het grootste deel van het werk in een gecontroleerde hal gebeurt, zonder regen of wind, is de bouwtijd op de kavel zelf vaak niet meer dan een paar weken.

Waarom de fabrieken nu stilstaan

Ondanks de ambities van het kabinet draaien lang niet alle prefabfabrieken op volle capaciteit. Bij Daiwa House in Montfoort galmt het door lege hallen: het bedrijf draait op nog geen 30 procent van zijn productiecapaciteit. De belangrijkste reden is onbekendheid bij opdrachtgevers zoals gemeenten en woningcorporaties, waar nog vaak het beeld leeft dat prefab hetzelfde is als een containerwoning. Zonder een constante stroom aan opdrachten kunnen fabrieken niet rendabel draaien, en dat maakt investeerders voorzichtig om extra productielijnen op te zetten.

Ook koepelorganisaties erkennen dat knelpunt. De VNG noemt het streven naar 50 procent fabrieksmatige bouw in 2030 bewust een 'streven', en wijst erop dat het vooral aan woningcorporaties is om die omslag te maken. Aedes, de vereniging van woningcorporaties, zegt zelf al veel fabrieksmatig te bouwen, maar sterk afhankelijk te zijn van andere partijen, waarbij het vinden van voldoende geschikte bouwlocaties het grootste struikelblok blijft. Zie je liever hoe steden met bestaande gebouwen omgaan in plaats van met nieuwbouw uit de fabriek? Dan is dit artikel over lege kantoren die woningen worden een aanvulling op dit verhaal.

De kritiek van experts

Niet iedereen is overtuigd dat fabrieksmatig bouwen dé oplossing is voor de woningnood. Experts waarschuwen dat de maatregel op zichzelf te beperkt is, omdat opschaling tegen andere grenzen aanloopt: capaciteit in de sector, logistiek, lokale vergunningen en een tekort aan geschikte bouwgrond. Volgens hen zijn er ook andere ingrepen nodig, zoals snellere vergunningverlening, meer bouwpersoneel, financiële prikkels voor sociale en middenhuur, en het beter benutten van leegstand. Hun conclusie is dat fabrieksmatig bouwen onderdeel van de oplossing kan zijn, maar geen wondermiddel is. NOS zette de belangrijkste maatregelen en kritiekpunten op een rij, en de volledige aankondiging staat op de site van de Rijksoverheid.

Er is trouwens ook een andere kant van fabrieksmatig bouwen die weinig aandacht krijgt: standaardisatie botst soms met de wens van gemeenten om elk bouwplan uniek te maken. Wie liever ziet hoe bewoners zelf de regie over hun woonomgeving nemen, vindt inspiratie in dit verhaal over een Amsterdamse wooncoöperatie die bewoners zelf ontwierpen. Twee heel verschillende antwoorden op hetzelfde woningtekort.

Wat dit betekent voor de wijk van morgen

Voor jou als toekomstige koper of huurder verandert er meer dan alleen de bouwmethode. Fabrieksmatige woningen zijn vaak sneller beschikbaar en energiezuiniger, omdat isolatie en installaties onder gecontroleerde omstandigheden worden aangebracht in plaats van buiten op de bouwplaats. Tegelijk vraagt het om andere verwachtingen: een fabriekswoning is niet per definitie een goedkope of anonieme doos, maar het uiterlijk en de indeling worden wel vaker uit een beperkter aantal concepten gekozen dan bij een individueel ontworpen huis. De komende jaren zul je die spanning steeds vaker terugzien in nieuwbouwwijken: standaardisatie voor snelheid en betaalbaarheid, tegenover de wens naar een huis dat niet op honderd andere lijkt. Welke kant wint, bepaalt voor een groot deel hoe de Nederlandse woonwijk er over tien jaar uitziet.

T
Geschreven door Thomas Akkerman Bouw & renovatie schrijver

Thomas schrijft over verbouwen en renoveren met de no-nonsense ervaring van een voormalig aannemer die meer bouwputten heeft gezien dan hij lief is. Geen mooie praatjes, wel eerlijk advies over wat het kost, hoe lang het duurt en waarom je altijd een buffer van minstens twintig procent moet aanhouden, want er gaat gegarandeerd iets mis. Hij heeft in zijn carriere geleerd dat de woorden "dat is zo gefikst" het gevaarlijkste zinnetje in de bouw zijn. Thomas vertelt je precies waar aannemers de hoeken afsnijden en hoe je dat voorkomt, niet om ze zwart te maken, maar omdat hij weet hoe het systeem werkt. Zijn artikelen lezen als een eerlijke waarschuwing van een vriend die je behoet voor dezelfde fouten die hij anderen heeft zien maken.